Oh, je zult
moeten lijden, voelen
dit gebrek, afwezigheid
tekort aan het licht
de aanwezigheid van
dit gecreëerde zwart gat.
Mistig spijt
verdampt zo snel
dit keer, niet meer
zo permanent.
Rood, broedend gevoel
vormt de hemel wolken
van jouw woede, infecteert
de wereld, al het gebroed.
Die vergruisde daden
in de handpalm
verweten aan jouw wangkant
zullen vertellen, achteraf
wat je me hebt aangedaan.
dinsdag 22 januari 2013
Het
Hoe is het gebeurd
voor even leek het
– permanente schade –
het gaat te snel
kan het versteld worden?
Begraaf het
diep onder
zwarte geheimen
dof omgespit
gewroete
donker aarde
– Ik geef je
het mee
bewaar het
waardig –
Het kan niet meer
onveranderlijk, steevast
gedwee, gebukt onder
zee van emoties
berouw
kolkt in het rond
niet meer zo
gestold.
Hoe is het gebeurd
zo snel, geknipperd
– geheim in het graf –
verdwenen.
voor even leek het
– permanente schade –
het gaat te snel
kan het versteld worden?
Begraaf het
diep onder
zwarte geheimen
dof omgespit
gewroete
donker aarde
– Ik geef je
het mee
bewaar het
waardig –
Het kan niet meer
onveranderlijk, steevast
gedwee, gebukt onder
zee van emoties
berouw
kolkt in het rond
niet meer zo
gestold.
Hoe is het gebeurd
zo snel, geknipperd
– geheim in het graf –
verdwenen.
Gemeende dromen
Maar ik wil ook de
harp leren spelen,
woorden op papier
laten zweven, en
misschien ook nog
dansen op mijn tenen.
Mag ik die wensen
ergens bewaren, en
later, na vergaande jaren
mijn recht erop
laten
spreken?
Het geeft niet
– ik wacht –
een paar eeuwen
geduld vergaard
mijn hoop zal
tijd wel in de wind
laten slaan.
En ik meen
het echt, oprecht
vanuit mijn klein hart,
als ik zeg dat
ik ooit al mijn dromen
terecht
zal laten leven.
harp leren spelen,
woorden op papier
laten zweven, en
misschien ook nog
dansen op mijn tenen.
Mag ik die wensen
ergens bewaren, en
later, na vergaande jaren
mijn recht erop
laten
spreken?
Het geeft niet
– ik wacht –
een paar eeuwen
geduld vergaard
mijn hoop zal
tijd wel in de wind
laten slaan.
En ik meen
het echt, oprecht
vanuit mijn klein hart,
als ik zeg dat
ik ooit al mijn dromen
terecht
zal laten leven.
dinsdag 1 januari 2013
Nog niet af, een intro van een verhaal dat ik wil schrijven.
De pijn is onbeschrijfbaar.
Het verdwaalt tussen woorden, hangt aan vreemde klemtonen en glipt weg van de letters waar ze geen betekenis uit kan halen. Als een vreemde taal, in een vreemd land met mensen die altijd bezig zijn en geen tijd hebben voor een zachtmoedige blik en een paar vriendelijke woorden.
Ze grijpt met rafelige handen aan de eenzame plooien van haar rok, plukt aan een verdwaasd touwtje en friemelt met de patronen van de soepele stof.
In de kille kamer hebben de deur, het raam en het grauwe weer hun kleur geërfd van de muren in de gang. Ze spelen samen een monotoon lied, brommend en oeverloos; de machines die aan aftakelende mensen grommen zo nu en dan mee.
Het verdwaalt tussen woorden, hangt aan vreemde klemtonen en glipt weg van de letters waar ze geen betekenis uit kan halen. Als een vreemde taal, in een vreemd land met mensen die altijd bezig zijn en geen tijd hebben voor een zachtmoedige blik en een paar vriendelijke woorden.
Ze grijpt met rafelige handen aan de eenzame plooien van haar rok, plukt aan een verdwaasd touwtje en friemelt met de patronen van de soepele stof.
In de kille kamer hebben de deur, het raam en het grauwe weer hun kleur geërfd van de muren in de gang. Ze spelen samen een monotoon lied, brommend en oeverloos; de machines die aan aftakelende mensen grommen zo nu en dan mee.
zondag 23 december 2012
Weerom
*
Op straat vlogen de kinderen om me heen. Rechts, links, zijwaarts - nee, diagonaal - bewogen ze. Groepjes werden gevormd, tikkertje hier, verstoppertje daar, iedereen stoof uiteen. En te midden van die chaos, tussen gescheurde broeken en grauwe T-shirts stond ik.
Ik liep voorzichtig, stap voor stap vooruit, een ander, ongestadig toekomst tegemoet. In de verte kon ik de lage huizen zien, schots en scheef, kriskras door elkaar en nooit parallel aan elkaar. Ik liep er recht op af, de kinderen met vuile nagels achter me, hun geluid bleef nog overal om me heen dwalen en achtervolgen.
Ergens te midden die reis, die tergelijke stappen die ik monotoon zette, bonsde mijn hart in een vast, hard ritme die ik lang niet had gehoord. Het was grappig hoe alles opeens zo stil kon vallen. Alleen mijn hart hoorde ik nog - ik hief mijn hand en klopte op de deur.
Achter mij zwommen de kinderen in de lucht met zwaaiende armen en maaiende voeten op morsige straatstenen - en zelfs de straatstenen waren niet in een vast patroon met elkaar verbonden, maar hier en daar willekeurig verspreid. Ik had van steen naar steen gesprongen.
Maar wacht, de deur ging open - een oud vrouwtje met haar hoofddoek half vastgebonden keek me met donkere ogen aan.
'Kan ik je helpen?' vroeg ze.
'Ik weet het niet,' zei ik.
*
De theeglazen hadden roosjes op de zijkant, maar waren vervaagd. De groene stelen waren schemerig zichtbaar door de donkere, bittere thee waar je aan nipte.Die donkere ogen tegenover je hadden opgelicht, verwonderd en ongeloofwaardig. En nu stond ze tegenover je met die houding en stille vragen: Wat kan ik voor je doen?
Je wilt zoveel dingen bespreken.
Je wilt verloren tijd inhalen, al die jaren, die jaren en maanden en weken...
Waarom had het zo lang geduurd?
De zon viel in kieren door de rafelige gordijnen naar binnen en je kon de vlekken op de bank zien - met je vinger zou je ze traceren. Opnieuw en opnieuw tot je moed had verzameld en de woorden uit je mond kon stuwen.
'Kan ik mijn broer zien?'
Natuurlijk kon dat.
*
Hij maakte geen oogcontact met je. Hij snoof zijn neus op toen hij je glimmende schoenen en schone kleren zag. Woorden kon je uit ogen aflezen: rijkeluiskind, verwend aapje, wat kom je hier doen?
Je boog je hoofd voorover en klemde je handen. Hij keek je strak aan met diezelfde donkere ogen die jullie samen deelden.
En een tijdje later hoorde je hoe de deur dichtsloeg.
*
Ze friemelde met haar hoofddoek en je wilde uitreiken met je hand naar haar handen om ze stil te zetten. Buiten klonken de krekels luid en onmisbaar. Je schreef je nummer op een papiertje. Ze vouwde het driemaal en stopte het weg in de zak van haar fleurige rok.
Op weg naar huis - het huis waar je was opgegroeid door familie dat eigenlijk geen familie was - zag je (ooit gekleurde, maar nu vervellende) fietsen hier en daar tegen de muren zuchtend leunen. Je schopte een aantal roerloze stenen weg. Je schoenen zijn stoffig maar je vond dat niet erg en bleef lopen. De schaarse straatlantaarns vormden plassen van licht op de grond waar je niets uit kon lezen. Maar je bleef lopen en bewegen zonder afscheid te nemen.
Een raam klapte open, een kind rende snel naar binnen en de moeder schreeuwde een aantal woorden.
'Ik zie je gauw!' zei het kind tegen zijn vriend.
De geluiden stierven weg, spoorloos en al vergeten, maar opgeslagen in je hamerend hart.
Verderop, waar je auto stond geparkeerd, veegde je het stof van de ramen weg. Een raam was ingeslagen, scherven waren binnengevallen en verspreid over de achterbank. Door je binnenraam volgde je de elektriciteitspalen met je ogen.
De weg voor je rekte zich eindeloos vooruit en lineair, samen met de draden tussen de elektriciteitspalen. Je volgde ze met je ogen, tot het einde uitgestrekt. Het geluid van de kinderen gonsde nog in je oren, terwijl je in het duisternis naar huis reed met bescheiden woorden in je hart en hoofd.
*
'Ik zie je gauw,' zei het kind.
end
WeeromLet op: Spelling (deels) uit 1864: [bijwoord] op nieuw, nog eens; terug.
Op straat vlogen de kinderen om me heen. Rechts, links, zijwaarts - nee, diagonaal - bewogen ze. Groepjes werden gevormd, tikkertje hier, verstoppertje daar, iedereen stoof uiteen. En te midden van die chaos, tussen gescheurde broeken en grauwe T-shirts stond ik.
Ik liep voorzichtig, stap voor stap vooruit, een ander, ongestadig toekomst tegemoet. In de verte kon ik de lage huizen zien, schots en scheef, kriskras door elkaar en nooit parallel aan elkaar. Ik liep er recht op af, de kinderen met vuile nagels achter me, hun geluid bleef nog overal om me heen dwalen en achtervolgen.
Ergens te midden die reis, die tergelijke stappen die ik monotoon zette, bonsde mijn hart in een vast, hard ritme die ik lang niet had gehoord. Het was grappig hoe alles opeens zo stil kon vallen. Alleen mijn hart hoorde ik nog - ik hief mijn hand en klopte op de deur.
Achter mij zwommen de kinderen in de lucht met zwaaiende armen en maaiende voeten op morsige straatstenen - en zelfs de straatstenen waren niet in een vast patroon met elkaar verbonden, maar hier en daar willekeurig verspreid. Ik had van steen naar steen gesprongen.
Maar wacht, de deur ging open - een oud vrouwtje met haar hoofddoek half vastgebonden keek me met donkere ogen aan.
'Kan ik je helpen?' vroeg ze.
'Ik weet het niet,' zei ik.
*
De theeglazen hadden roosjes op de zijkant, maar waren vervaagd. De groene stelen waren schemerig zichtbaar door de donkere, bittere thee waar je aan nipte.Die donkere ogen tegenover je hadden opgelicht, verwonderd en ongeloofwaardig. En nu stond ze tegenover je met die houding en stille vragen: Wat kan ik voor je doen?
Je wilt zoveel dingen bespreken.
Je wilt verloren tijd inhalen, al die jaren, die jaren en maanden en weken...
Waarom had het zo lang geduurd?
De zon viel in kieren door de rafelige gordijnen naar binnen en je kon de vlekken op de bank zien - met je vinger zou je ze traceren. Opnieuw en opnieuw tot je moed had verzameld en de woorden uit je mond kon stuwen.
'Kan ik mijn broer zien?'
Natuurlijk kon dat.
*
Hij maakte geen oogcontact met je. Hij snoof zijn neus op toen hij je glimmende schoenen en schone kleren zag. Woorden kon je uit ogen aflezen: rijkeluiskind, verwend aapje, wat kom je hier doen?
Je boog je hoofd voorover en klemde je handen. Hij keek je strak aan met diezelfde donkere ogen die jullie samen deelden.
En een tijdje later hoorde je hoe de deur dichtsloeg.
*
Ze friemelde met haar hoofddoek en je wilde uitreiken met je hand naar haar handen om ze stil te zetten. Buiten klonken de krekels luid en onmisbaar. Je schreef je nummer op een papiertje. Ze vouwde het driemaal en stopte het weg in de zak van haar fleurige rok.
Op weg naar huis - het huis waar je was opgegroeid door familie dat eigenlijk geen familie was - zag je (ooit gekleurde, maar nu vervellende) fietsen hier en daar tegen de muren zuchtend leunen. Je schopte een aantal roerloze stenen weg. Je schoenen zijn stoffig maar je vond dat niet erg en bleef lopen. De schaarse straatlantaarns vormden plassen van licht op de grond waar je niets uit kon lezen. Maar je bleef lopen en bewegen zonder afscheid te nemen.
Een raam klapte open, een kind rende snel naar binnen en de moeder schreeuwde een aantal woorden.
'Ik zie je gauw!' zei het kind tegen zijn vriend.
De geluiden stierven weg, spoorloos en al vergeten, maar opgeslagen in je hamerend hart.
Verderop, waar je auto stond geparkeerd, veegde je het stof van de ramen weg. Een raam was ingeslagen, scherven waren binnengevallen en verspreid over de achterbank. Door je binnenraam volgde je de elektriciteitspalen met je ogen.
De weg voor je rekte zich eindeloos vooruit en lineair, samen met de draden tussen de elektriciteitspalen. Je volgde ze met je ogen, tot het einde uitgestrekt. Het geluid van de kinderen gonsde nog in je oren, terwijl je in het duisternis naar huis reed met bescheiden woorden in je hart en hoofd.
*
'Ik zie je gauw,' zei het kind.
end
WeeromLet op: Spelling (deels) uit 1864: [bijwoord] op nieuw, nog eens; terug.
vrijdag 5 oktober 2012
Geprobeerd
Inspiration from a really weird song. Here it is. A really short (love)story.
Niet gecontroleerd op spelfouten, sorry. Hope you enjoy
________
Op straat tussen wemelende mensen – die ademen snel en gejaagd – blijf ik bezwaard met lood in mijn schoenen staan. Kilte sluit om mijn keel, spijt trekt aan de koorden en ik kan niet ademen – ik zak op mijn knieën, midden op straat, te midden de massa die nooit gestaag beweegt.
God, wat heb ik gedaan?
Ik adem uit en ik adem in, maar het helpt niet want herinneringen flitsen met de snelheid van licht door mijn hoofd en ik voel het in mijn handen, in mijn gezicht, in mijn trillende vingers, afgebeten nagels – overal, overal en overal in mijn hart, in alle hoeken en gaten waar de gloed van onze liefde had bereikt.
Wat heb ik gedaan?
Ik beweeg loom, ik sta op. En ik loop. Met de massa mee.
Thuis verwateren de ketenen om mijn hart. Ik kan ademen. Ik kan in de spiegel kijken (en dat is van levensbelang).
Thuis, in een vierkanten doos omringd door vaste muren die nooit bewegen, kan ik een monster zijn. Emoties kunnen mij niet straffen en ik kan als een gewetenloos monster overal bewegen en leven. Maar alleen in mijn huis, waar de gordijnen nooit opengeslagen worden, ramen niet gezeemd worden en de schoonmaker elke week langskomt.
Ik kan haar parfum ruiken – of was dat haar zeep? Haar shampoo, haar wasverzachter? Herinneringen en emoties wikkelen zichzelf om mijn strot waardoor ik naar adem grijp met nutteloze handen. Alles loopt in elkaar, plaatsen verwar ik met tijdstippen, geuren met beelden die niet bij elkaar horen.
Ik heb het geprobeerd. Maar de echte waarheid – de enige echte die uniek is – glipt uit mijn handen, uit mijn mond. Ik sla met mijn vuist tegen de spiegel; splinters en glasscherven vermengen zich en hechten zich vertrouwd aan mijn hand.
Ik heb het geprobeerd.
Maar alles viel uit elkaar en kon nooit bij elkaar gebracht worden omdat de deeltjes niet meer in elkaar pasten.
En misschien is het een misdaad om een hart te breken, maar ik heb het geprobeerd.
Dit is het einde van mijn verhaal, ik sluit de deur, de gordijnen blijven dicht.
Maar het licht beweegt, donker, intens en soms lichter als ik mijn ogen opensla. Dagen passeren in een vogelvlucht en ik duik met mijn neus in boeken waar ik woorden uit kan lezen die betekenis hebben. Woorden met een betekenis geven een betekenis aan dit leven – en misschien kan ik zo proberen verder te leven.
-einde-
Niet gecontroleerd op spelfouten, sorry. Hope you enjoy
________
Op straat tussen wemelende mensen – die ademen snel en gejaagd – blijf ik bezwaard met lood in mijn schoenen staan. Kilte sluit om mijn keel, spijt trekt aan de koorden en ik kan niet ademen – ik zak op mijn knieën, midden op straat, te midden de massa die nooit gestaag beweegt.
God, wat heb ik gedaan?
Ik adem uit en ik adem in, maar het helpt niet want herinneringen flitsen met de snelheid van licht door mijn hoofd en ik voel het in mijn handen, in mijn gezicht, in mijn trillende vingers, afgebeten nagels – overal, overal en overal in mijn hart, in alle hoeken en gaten waar de gloed van onze liefde had bereikt.
Wat heb ik gedaan?
Ik beweeg loom, ik sta op. En ik loop. Met de massa mee.
Thuis verwateren de ketenen om mijn hart. Ik kan ademen. Ik kan in de spiegel kijken (en dat is van levensbelang).
Thuis, in een vierkanten doos omringd door vaste muren die nooit bewegen, kan ik een monster zijn. Emoties kunnen mij niet straffen en ik kan als een gewetenloos monster overal bewegen en leven. Maar alleen in mijn huis, waar de gordijnen nooit opengeslagen worden, ramen niet gezeemd worden en de schoonmaker elke week langskomt.
Ik kan haar parfum ruiken – of was dat haar zeep? Haar shampoo, haar wasverzachter? Herinneringen en emoties wikkelen zichzelf om mijn strot waardoor ik naar adem grijp met nutteloze handen. Alles loopt in elkaar, plaatsen verwar ik met tijdstippen, geuren met beelden die niet bij elkaar horen.
Ik heb het geprobeerd. Maar de echte waarheid – de enige echte die uniek is – glipt uit mijn handen, uit mijn mond. Ik sla met mijn vuist tegen de spiegel; splinters en glasscherven vermengen zich en hechten zich vertrouwd aan mijn hand.
Ik heb het geprobeerd.
Maar alles viel uit elkaar en kon nooit bij elkaar gebracht worden omdat de deeltjes niet meer in elkaar pasten.
En misschien is het een misdaad om een hart te breken, maar ik heb het geprobeerd.
Dit is het einde van mijn verhaal, ik sluit de deur, de gordijnen blijven dicht.
Maar het licht beweegt, donker, intens en soms lichter als ik mijn ogen opensla. Dagen passeren in een vogelvlucht en ik duik met mijn neus in boeken waar ik woorden uit kan lezen die betekenis hebben. Woorden met een betekenis geven een betekenis aan dit leven – en misschien kan ik zo proberen verder te leven.
-einde-
Waar ga ik heen?
Probeer zachtjes te ademen.
drie, twee, één
drie, twee, één,
waar ga ik heen?
stap omhoog, stap omlaag
ik adem traag en bedaard
en voorzichtig, tree voor tree
klimmen, groeien
niet vallen, pas je op?
en dan, slip je
hou je hart vast
gooi jezelf,
los van ketens,
tuimel oneindig door
en door, door tot drie, twee, één,
drie, twee, één
waar ga ik heen?
Abonneren op:
Posts (Atom)